Philosophy of life

Mijn nieuwe boek “Eenheid in verscheidenheid” ligt nu op mijn bureau. Je kunt het bestellen via: “Eenheid in verscheidenheid”. Ook mooi voor in je cadeaula! Een cadeau – bijvoorbeeld voor Valentijnsdag –  waar de ontvanger je de rest van diens leven dankbaar voor zal zijn. Waarom? Omdat ik je hier het inzicht en de handvatten geef, waardoor je de regie in handen hebt in leven, wonen en werken. En dat in een steeds veranderende wereld, vol met onverwachte gebeurtenissen. Dat is mijn belofte aan jou en aan die ander! Ik wens je veel leesplezier!

Read more

Beste lezer,

Ik schreef een boek voor jou! “Voor mij?” hoor ik je denken. Ja, echt waar. Ik kan het ook uitleggen:

– Je zult in elk hoofdstuk iets herkennen van jouw verlangens en doelstellingen

– Je realiseert met dit boek jouw verlangens en doelstellingen. Het inspireert en stimuleert je en geeft je energie

– Je weet na lezing gegarandeerd een paar personen in jouw omgeving waarvan jij denkt dat zij er ook veel aan zullen hebben en met wie je de inhoud wilt delen.

Dat is nogal een belofte he. Maar ik durf je die belofte te geven, omdat ik een filosofie beschrijf die volstrekt nieuw maar in wezen oeroud is, omdat die gebaseerd is op onze universele verlangens en drijfveren. En omdat ik je inzichten en handvatten geef die al meer dan 20 jaar bewezen hebben te werken, en waar jij en anderen dagelijks plezier aan zullen beleven.

Actie tot 15 januari 2016

Als je hier klikt zie je de cover en de omslag van het boek. Kijk en lees even, dan word je al enthousiaster. Ben je nieuwsgierig geworden naar de inhoud? En wil je mij, door het nu al te bestellen, helpen met de financiering ervan? Bestel dan nu vast het boek tegen de verkoopprijs van 19,50 euro. Het wordt je dan, zodra het beschikbaar is, persoonlijk aangeboden, of per post toegestuurd.

Bestel hier

Je ontvangt een bevestiging van je bestelling, pianobon of vrijkaartje(s) en betaling en ik houd je op de hoogte. Zodra de boeken van de pers komen, stuur ik je jouw bestelling toe.

Optreden

Natuurlijk is het ook mogelijk een optreden te boeken voor een besloten groep, waarbij de deelnemers een exemplaar van het boek “Eenheid in verscheidenheid” ontvangen. Prijs en locatie in onderling overleg. Neem hierover s.v.p. contact met mij op via mail of telefoon: 055 522 39 26 / 0653 313 147.

Dank voor het vertrouwen en heel goede feestdagen toegewenst.

Met hartelijke groet,Bert-Jan.

Deel deze informatie gerust met anderen.

Read more

 Zo’n 150 jaar geleden woonde Jacob Pronk met zijn vrouw en hun twee kinderen in het dorpje Scheveningen. Jacob Pronk woonde met zijn gezin boven zijn meubelwinkel in de Keizerstraat. Scheveningen was een vissersdorpje gelegen aan de rand van Den Haag en de meeste inwoners leefden van de visserij. Maar Jacob was als kind al bezig met figuurtjes maken uit takken hout die hij vond. En hij maakte kistjes van afvalhout en repareerde de meubels als er iets kapot was gegaan. Jacob wilde niet net zoals zijn vader en zijn broers naar zee. Nee, Jacob droomde ervan om meubelmaker te worden. Maar die opleiding kostte veel geld en dat hadden zijn ouders niet. Maar op een dag gebeurde er iets, waardoor het leven van Jacob plotseling veranderde. Bij een hevige storm werd de haringkar van oom Chris door de lucht geslingerd en brak vervolgens in stukken uiteen tegen een muur. Oom Chris, die toch eigenlijk al te oud was geworden om nog met de kar op pad te gaan, wilde er al kachelhout van maken, maar Jacob vroeg of hij mocht proberen de kar nog te repareren. Oom Chris dacht niet dat het Jacob zou lukken, maar gaf hem de kapotte haringkar cadeau. En het lukte Jacob! Hij knapte de haringkar helemaal op!

En zo kwam het dat Jacob wat geld kon verdienen door vis te verkopen. Hele einden liep hij via de Scheveningseweg naar Den Haag, waar rijke mensen woonden aan wie hij zijn haringen en andere vis verkocht. En als hij bij de mensen kwam, hoorde hij wel eens over meubels die gerepareerd moesten worden. En die repareerde hij dan zo goed, dat hij al gauw een bekendheid werd in Den Haag. Steeds meer mensen vroegen hem of hij stoelen, tafels en andere kleine meubels wilde repareren. Maar dat werd op een gegeven moment een probleem, want hij kon die niet allemaal meenemen op zijn haringkar. Jacob had eigenlijk een paard en wagen nodig om de meubels van en naar Den Haag te brengen. En er ontstond nog een tweede probleem. Jacob had zoveel werk als meubelmaker, dat hij geen tijd meer had om met zijn haringkar te lopen. Maar, ook al had Jacob wel wat gespaard, geld voor een paard en wagen had hij niet en hij kon het geld dat hij met het verkopen van de vis verdiende ook niet missen.  Wat moest Jacob nu doen?

Halverwege de weg tussen Scheveningen en Den Haag lag de boerderij van boer Harmsen, waar Jacob wel eens een praatje maakte met de boer en een kopje koffie kreeg van de boerin. Ze hadden een paar flinke zonen en dochters en Jacob kon vooral heel goed overweg met de oudste dochter. Hij was een beetje heel veel verliefd op haar! Zij heette Jacobine en ze waren even oud, maar het was niet alleen daarom dat hij haar leuk vond. Nee, Jacob vond haar het mooiste meisje dat hij ooit gezien had. Zij had zulke mooie stralende blauwe ogen en prachtig donker golvend haar! En als zij lachte, dan zag je twee kuiltjes in haar wangen en zelfs bij het donkerste weer was het, of dan de zon scheen. Maar zelfs daarom was hij niet alleen verliefd op haar: Hij kon alles met haar delen en behalve dat ze veel plezier hadden met elkaar en, als ze daar tijd voor hadden, lange wandelingen en fietstochten maakten, begrepen ze elkaar van binnen en hielpen ze elkaar als ze het moeilijk hadden. En zoals dat gaat als mensen echt van elkaar houden, hield Jacobine evenveel van Jacob als Jacob van haar. En haar ouders waren ook blij met Jacob, want hij paste goed in hun gezin en hij was een harde werker.

Jacobine werkte hard mee op het land en in de boerderij en in haar vrije tijd maakte zij kaarsen en die kon zij ook prachtig mooi versieren. Zo maakte zij voor de kerk prachtige kaarsen voor op het altaar en vaak ging ze mee met Jacob naar Den Haag en verkocht zij daar kaarsen aan de mensen voor wie Jacob de meubels maakte. En omdat iedereen Jacob en Jacobine zo’n leuk verliefd stel vond, en zij zulke mooie kaarsen maakte, kreeg ook Jacobine al gauw bekendheid in Den Haag en had ze al een behoorlijke klantenkring. Het geld dat zij met haar kaarsen verdiende mocht zij houden, zodat zij ook voor haar uitzet kon sparen als Jacob en zij gingen trouwen.

Toen Jacob op een dag een paar stoelen, een tafel en een klein kastje op zijn haringkar had vastgebonden en hij slechts met heel veel moeite, vanuit Den Haag komende, de boerderij van boer Harmsen wist te bereiken, bedacht hij onderweg een plan en besloot daar met de boer over te praten. Genietend van een lekker bakje koffie, die de boerin hem had ingeschonken, en hand in hand naast Jacobine zittend, die hij zijn plan eerst verteld had en die daar erg enthousiast over was, vertelde hij aan boer Harmsen wat zijn problemen waren en welke oplossing hij hiervoor bedacht had.

“U weet dat ik de laatste tijd steeds meer opdrachten krijg om meubels te repareren. Zoveel dat ik ze niet meer op mijn haringkar kan laden. En daar komt bij dat ik zoveel werk heb aan het maken van meubels, omdat ik ook wel eens de vraag krijg om een nieuwe stoel of tafel te maken, dat ik geen tijd meer heb om vis te verkopen. Nu weet ik dat Frits – dat was de een na oudste zoon van de boer – op zoek is naar ander werk. Zou ik van u een paard en wagen mogen lenen, zodat ik de meubels kan vervoeren, en dat ik dan in ruil daarvoor Frits mijn haringkar leen, zodat hij vis kan verkopen. Zo verdient hij wat en verdien ik toch nog wat aan de visverkoop.”

Boer Harmsen had, terwijl Jacob vertelde, naar Jacobine gekeken en zag de twinkeling in haar ogen en keek, nadat Jacob was uitgesproken, zijn vrouw aan. En ook al waren zij al heel lang met elkaar getrouwd, ze waren nog steeds net zo verliefd op elkaar als eerst en hoefden dit niet met elkaar te overleggen. Wat hij goed vond, vond zij ook goed en omgekeerd. Toen boer Harmsen zag dat zij het ook goed vond richtte hij zich naar Jacob en zei:”Dat is een heel slim bedacht en goed plan van jou kerel”. Voordat hij nog iets meer kon zeggen was Jacobine hem al om de hals gevlogen en werd het al gauw een dolle boel in de keuken. Frits was blij met zijn nieuwe baan en samen met de boer zocht Jacob een goed paard en een goede wagen uit. Nadien kon je Jacob regelmatig met een wagen vol met meubels van Scheveningen naar Den Haag en weer terug zien rijden. En toen er een winkelpand met een bovenwoning vrijkwam in de Keizerstraat huurde Jacob het pand samen met Jacobine, met wie hij inmiddels getrouwd was. En nu wonen zij daar, samen met hun twee kinderen; Floris en Fleur.

Beneden was er in de werkplaats van Jacob ook een plek waar Jacobine haar kaarsen maakte en in de meubelwinkel was er een hoek vrijgemaakt waar zij haar kaarsen uitstalde. Grote kaarsen, kleine kaarsen, hele dunne en hele dikke en ook ronde en vierkante kaarsen, of in verschillende figuren. Sommige alleen wit of rood of in een andere kleur. Andere weer mooi versierd. Voor iedereen was er wel wat bij.

En nu was het dan weer de eerste Advent. Dat was het moment dat de winkel helemaal in de Kerstsfeer werd gebracht. Jacob had diverse soorten kerststallen gemaakt en Jacobine had de hele winkel vol staan met allerlei soorten kaarsen.

Dagen was Jacobine ook in de weer geweest om honderden kerstboomkaarsjes te maken. Want heel veel mensen hadden echte kaarsjes in de kerstboom. Die lagen allemaal in houten dozen, die Jacob daar speciaal voor gemaakt had.

En Floris en Fleur, die inmiddels acht en zes jaar waren, mochten hun ouders wel eens helpen in de werkplaats. En zij wisten beide waarom hun ouders zo van kaarsen hielden en waarom zij beide de winkel op zijn mooist maakten. Jacobine had ze een keer het verhaal verteld van de kaarsen in de Kerstnacht. En elk jaar, als het Kerstavond was zou Jacobine weer dat verhaal vertellen. En zo gebeurde dat ook dit jaar. Het was Kerstavond. Buiten had het flink gevroren en lag er een dik pak witte sneeuw. Maar binnen brandde de open haard en had Jacob de kaarsjes in de boom aangedaan. Fleur en Floris zaten ieder op hun eigen stoeltje naar de lichtjes te kijken. Moeder had de lekkerste dingen klaargemaakt en ze waren eigenlijk al een beetje rozig door het vuur en de warme chocolademelk die ze hadden gekregen, maar ze wisten dat nu het Kerstverhaal weer zou komen, dat moeder zou voorlezen. Nadat Jacob nog eens goed gekeken had of alle kaarsjes nog goed in de boom stonden, pakte Jacobine het schrift waarin zij het verhaal had geschreven en begon te lezen:

Het was Kerstnacht en ik had de winkeldeur goed afgesloten. De laatste klanten waren met een mooie Kerststal en flink wat kaarsen tevreden naar huis gegaan. We hadden de winkel op tijd gesloten, zodat we alle tijd hadden om naar het kerstmaal te gaan. Die avond aten we bij de ouders van Jacob en daarna ontmoetten onze beide families elkaar allemaal bij en in de Kerk. Daarna gingen we naar huis en genoten we samen van de lichtjes in de kerstboom. En toen, net toen het laatste kaarsje in de boom was opgebrand, gebeurde het: Opeens klonk de bel van de winkel. Wie zou er nu nog zo laat iets willen hebben? Of zou het een kind zijn dat aan het belletje trekken was? Maar daar was het toch wel te laat voor. En omdat we niet direct naar beneden waren gegaan klonk even later nog een keer de winkelbel. We besloten beide te gaan kijken, en dat was maar goed ook, want het was bijna niet te geloven wie er buiten stond te wachten. Toen we via de werkplaats de winkel in liepen zagen we een wonderlijk licht bij de winkeldeur. En toen we de deur open deden waren we met stomheid geslagen. Voor ons stond een engel. “Dag Jacob, dag Jacobine” zei de engel, “ik ben Luxor, de kerstengel van het Licht. Jullie maken elk jaar zulke mooie kerststallen en zulke mooie kaarsen, en jullie maken daar zoveel mensen blij mee, dat ik jullie iets wil laten zien en horen vanavond. Mag ik binnenkomen?”

Nog niet geheel van de verbazing bekomen lieten we de engel Luxor natuurlijk binnen en opeens hoorden wij een geroezemoes in de winkel. Het was net of de kaarsen met elkaar aan het praten waren. Vragend keken we Luxor aan. “Ja” zei Luxor, ik heb ervoor gezorgd dat jullie deze avond de kaarsen kunnen horen praten. Luister maar eens goed waar zij het met elkaar over hebben”.

En daar hoorden we de grote, dikke kaars op de toonbank. Boos had hij zich tot een doos kleine kerstboomkaarsjes gewend, die met elkaar ruzie maakten, omdat ze maar weinig plek hadden in de houten doos waarin ze lagen.”Kunnen jullie niet wat stiller zijn. Het is tenslotte Kerstavond en dan moet je stil zijn”.

Wat beteuterd waren die even stil, maar toen begon een lange dunne kaars, die bij een van de kersstallen stond, zich ermee te bemoeien. “Zeg dikzak daar op die toonbank, wil jij niet zulke praatjes hebben. Jij kunt je nu wel heel belangrijk vinden, daar dicht bij de kassa, maar jij bent hier niet de baas”. De dikke kaars kreeg geen kans om zich te verweren, want een lange, dikke ronde kaars, die prachtig versierd was, richtte zich zowel tot de dikke als de lange dunne kaars en zei:”Heb ik jullie toestemming gegeven, dat je mocht praten? Jullie hebben geen enkele versiering en zijn maar een stel kale kaarsen. Ik ben veel mooier dan jullie, dus ik ben de baas. Kijk maar in de spiegel daar.” En hij wees op de spiegel, die boven de toonbank hing. De dikke en de dunne kaars keken in de spiegel en zagen dat ze inderdaad kaal waren. Verdrietig hielden ze zich stil.

De engel Luxor kreeg met ze te doen en ging midden in de winkel staan, zodat alle kaarsen hem konden zien. “Waarom maken jullie nu zo’n ruzie met elkaar? Zijn jullie dan helemaal vergeten waarom jullie gemaakt zijn? Jullie zijn gemaakt omdat de mensen jullie graag in huis willen hebben. En de een wil graag een versierde kaars en de ander wil een witte kaars, of een gekleurde, of zonder enige versiering erop. Blij keken de dikke en de dunne kaars hem aan. De versierde kaars mopperde nog wat, maar moest de engel wel gelijk geven. De kerstboomkaarsjes waren heel klein en kaal en wit, maar die werden wel het meest gekocht en die mochten in de kerstboom staan. Eigenlijk was de mooie versierde kaars daar best een beetje jaloers op. Het was of de engel Luxor zijn gedachten kon lezen want hij zei:”Je hoeft helemaal niet jaloers te zijn op de kerstboomkaarsjes. Versierde kaarsen krijgen vaak een hele bijzondere plek.” De versierde kaars knikte enigszins gerustgesteld, maar de engel sprak verder:

“Het gaat er niet om hoe jullie er uit zien. Of jullie nu dik, of dun, groot of klein, rond of vierkant zijn en welke kleur je ook hebt, en of je nu wel of niet versierd bent, dat maakt allemaal niet zoveel uit. Dat is jullie buitenkant. Maar kijk eens bij jezelf naar binnen.” Alle kaarsen keken bij zichzelf naar binnen en zagen een witte draad van beneden naar boven lopen. En toen ze verder keken dan hun kaars lang was zagen ze een stukje wit boven hun kaars uitsteken. Ze wisten wel dat ze zo gemaakt waren, maar ze zagen het nu eigenlijk voor het eerst pas goed. “En als je nu bij elkaar naar dat uitstekende witte stukje kijkt wat valt je dan op?” vroeg Luxor. “Oh, nu zie ik het” zei een piepklein dun kaarsje dat in een bakje lag met kaarsjes voor op de taart, “die stukjes zijn allemaal even lang. Althans bij de meesten, want ik ben maar zo’n klein kaarsje, dat ik een kleiner lontje heb.” “Wacht maar” zei Luxor, “dat heb je wel goed gezien klein feestkaarsje, maar ik zal jullie laten zien dat jullie toch allemaal aan elkaar gelijk zijn en allemaal voor hetzelfde doel gemaakt zijn.” En beginnende met het allerkleinste kaarsje begon de engel Luxor alle kaarsen een voor een aan te steken.

En toen alle kaarsen aangestoken waren zagen ze dat ze allemaal een even groot lichtje hadden en even helder de winkel verlichtten. De kerstboomkaarsjes, die nu allemaal op de toonbank stonden te branden, keken elkaar blij aan en waren allang vergeten dat ze net nog ruzie maakten. De dikke en de dunne kaars begroetten elkaar vriendelijk en de versierde kaars zei dat hij dom was geweest en niet meer de baas wilde zijn. Alle kaarsen waren nu vrienden van elkaar en waren blij dat zij brandden.

“Weten jullie nu weer waarvoor jullie gemaakt zijn?” vroeg Luxor. “Ja” zei een mooie rode ronde kaars, die al die tijd wijselijk haar mond had gehouden, “wij zijn gemaakt om licht te geven en de mensen te herinneren aan het grote Licht waaruit alles ontstaan is”. “Ja” zei Luxor, de wijze kaars glimlachend aankijkend. “Daarom branden de mensen ook kaarsen als zij iemand gedenken die overleden is, of als iemand ziek is. Maar ook als het feest is, zoals met Pasen en met Kerst, of als er een kindje gedoopt wordt, of bij een bruiloft.”

Toen keek de engel Luxor ons aan en Jacob zei tegen hem:”Je hebt ons een groot wonder laten horen en zien en ik heb begrepen waarom. Wij mensen zijn net als die kaarsen in het begin. Wij vergelijken ons ook met elkaar. De blanke mensen vinden mensen met een donkerder huidskleur vaak minder en slanke mensen vinden dikke mensen vaak dommer dan zij. En mensen scheppen vaak op als zij meer hebben dan een ander. Of, als ze een betere plek hebben, voelen ze zich belangrijker en vinden ze zichzelf beter dan de ander. Maar waar we ook wonen en wat we ook zijn en hoe we er ook uitzien, en of we nu arm of rijk zijn, we hebben allemaal diezelfde verbindingsdraad lopen naar het licht en ons kaarsvlammetje is even groot. We verspreiden, als we ons weer herinneren waarom wij geschapen zijn, allemaal – naar ons eigen uiterste kunnen – ons eigen lichtje.”

“Ja”, zei Luxor “en als het een keertje donker is in je en als je verdrietig bent, onthoudt dan, dat het kleinste lichtje de machtigste duisternis verdrijft.” En dat konden we toen ook zien, want Luxor had alle kaarsen een voor een gedoofd en nu brandde alleen nog het allerkleinste kaarsje voor op de feesttaart. Ik heb Luxor toen beloofd, dat ik zou opschrijven wat wij die avond mochten beleven, zodat jullie dit verhaal ook konden horen. Toen namen wij afscheid van Luxor en gingen we weer naar boven. Daar hebben we de kaarsjes in de boom nog een keer aangestoken en een glaasje gedronken en stilletjes naar de boom gekeken. En toen ze allemaal opgebrand waren, keken wij elkaar aan en zagen in elkaar ons eigen licht van binnen branden.

Floris en Fleur hadden, net zoals het jaar daarvoor, weer stilletjes geluisterd. Ze keken elkaar aan en lachten naar elkaar. Jacob en Jacobine gaven elkaar een knipoog. De twee hadden bij elkaar naar binnen gekeken en hadden elkaars lichtje gezien. Ze brachten de kinderen naar bed en die droomden die nacht van de engel Luxor en van alle brandende kaarsen in de winkel.

Als wij mensen, als jij en ik, bij ons zelf en bij elkaar naar binnen kijken, dan zie je in jezelf en in elkaar je eigen lichtje. En dat kun je ook zien als je elkaar in de ogen kijkt. En het mooie is dat we dan geen ruzie meer maken, maar elkaar het licht in de ogen van harte gunnen. Dag allemaal. Tot volgend jaar.

Bert-Jan van der Mieden

december 2014.

 

P.S. Je mag dit verhaal natuurlijk gebruiken voor de eigen huiselijke kring en verwijs er gerust naar. Vermeld dan s.v.p. dat het door mij geschreven is en wellicht is het een reden om te verwijzen naar levensregisseur.eu en/of pyramide.nl . Daar waar er behoefte is aan meer licht in leven, wonen en werken kunnen mijn Partners en ik onze unieke bijdrage leveren ter realisatie daarvan. Fijne feestdagen toegewenst en alle goeds voor het nieuwe jaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

Read more

We are all confronted with life’s issues, the meaning and purpose of our existence. Through the ages religions have had a lot of followers. Religious doctrine gave a firm and “safe” scope, which people had to follow and generally did follow. In the previous century resistance to taboos and imposed dogmas led to dechristianisation and secularisation and the rise of atheism, humanism and new spiritual movements. In the present century the Islam is on the rise in western society. The handed-down commandments, bans and religion doctrine are not taken for granted any more. People try in vain to realize a world that can be moulded and measured. More and more a lot of people ask themselves the probing question “Where and how are we to find something to hold on to?”

In my opinion the inner knowledge, the truth, is in our Self. Active belief does not mean to follow but it means having an inner dialogue with oneself and an essential conversation with one another. Belief in the 21st century means developing awareness of, searching for and refinding our Self, others and the Being. We will find the answers to life’s issues in our Self and in our experiences and vicissitudes of life. By way of (inner) dialogue. With a positive, but critical eye we will look at the values, conventions and convictions of our ancestors and educators. And then we will ask ourselves (our Selves) whether we agree with it entirely, partially or not at all. That is the end of repeating and reflecting uncritically and the beginning of reflection and thorough consideration. We will no longer uncritically follow a leader, but we will be our own leaders.

That means that we will be individually and jointly responsible for the world(s) in which we live, reside and work. We will discover the common source of the various philosophies of life and the common answers to life’s issues, through openness to our Selves, other people and another things. We will (re)discover our unique personal identity and our collective solidarity. We can help each other by our awakening and awareness and by our conscious acts. Along that way we will get to a colorful and dynamic belief and knowledge. The time is definitely ripe for sustainable, true, spiritual globalization based on unity in multiplicity.

Read more